>

Nieuws

 
4 april 2022

Opkomstplicht

Daags na de inval van Rusland in Oekraïne werd in de sociale media de vraag opgeroepen of Nederland de opkomstplicht weer van stal zou moeten halen. Vanaf 1997 worden jongemannen niet langer opgeroepen voor de militaire dienst; de opkomstplicht werd opgeschort. De Koude Oorlog was voorbij en Nederland kreeg een beroepsleger. In dat licht werd een jaar eerder ook het Doopsgezind Vredesbureau opgeheven dat vlak na de Duitse bezetting was opgericht om dienstweigeraars te begeleiden. 

Het relatief vrije wereldbeeld waarin de jongere generatie van tegenwoordig opgroeide, kende geen oorlogsdreiging. Maar nu maakt men zich zorgen over wat er komen gaat. Moeten wij straks het leger in? Zelf werd ik te midden van de kruisraketdemonstraties in de beginjaren 80 erkend als dienstweigeraar. Op grond van de Bergrede van Jezus. Desgevraagd gaf ik de Commissie Gewetensbezwaarden ten antwoord dat diplomatie voor mij het antwoord was om oorlog tegen te gaan. Snel stond ik weer op straat. De opbouw van bataljons was niet langer urgent.

Urgentie
Urgentie wordt nu wel gevoeld. In hoeverre blijven voormalig dienstweigeraars bij hun standpunt, nu de oorlog in Oost-Europa ook in ons land voelbaar is? Wat hebben zij de jongere generatie te vertellen? In een kerkdienst kwam naar voren dat er twijfel was vanwege het Russische offensief. Anderen hadden vroeger op tanks geschoten en hadden daar geen spijt van. Maar iedereen worstelde met het doopsgezind-zijn. Ik deel die spanning. Dat eindeloze moorden in Rwanda en op de Balkan in de jaren 90 zette mijn geweldloze principe onder druk: wanneer zou er worden ingegrepen?! 

Op een studentenconferentie van Christen Historici in 2008 werd mij verweten dat ik anderen de kastanjes uit het vuur liet halen. Dat was ongenuanceerd. De spagaat van een dienstweigeraar bestaat hieruit dat hij wapens weigert te dragen, maar ook inziet dat er soms moet worden ingegrepen. Het plaatst de historische vredeskerken (doopsgezinden en quakers), maar ook andere kerken, bewegingen en individuen, voor de vraag: is opkomstplicht het enige antwoord op oorlogsdreiging?

Classificaties
Moraalwetenschapper Fleur Verschuere schreef in 2012 een studie over het belang van de theorie van de rechtvaardige oorlog.  Zij citeert daarbij filosoof en pacifist Bertrand Russell (1872-1970). Die stelt dat een oorlog altijd gerechtvaardigd wordt op grond van onze intuïtie. Daarom is het belangrijk om bij elke oorlog na te gaan in hoeverre die bijdraagt aan ‘het goede’ voor de mensheid. Dat is nog niet zo eenvoudig, verklaart Verschuere. Zij classificeert mensen naar realisten, militaristen, pacifisten en rechtvaardige-oorlogsdenkers. Allemaal denken ze verschillend over de rechtvaardiging van een oorlog. De realist stelt het nationaal belang voorop, maar kent geen ethisch kader; de militarist zoekt naar een historische en religieuze rechtvaardiging; de pacifist wil vrede, maar is geen passivist. Zijn vraag is hoe het pacifisme kan worden verenigd met de vraag van de burgers om militaire bescherming. En tenslotte zijn de rechtvaardige-oorlogsdenkers van mening dat een oorlog soms goed kan zijn, maar dan wel onder strenge voorwaarden. 

Militair versus humanitair
Deze classificaties laten geen enkele consensus zien. Daarom zijn alternatieven nodig. Naar aanleiding van het falen van de Verenigde Naties in onder andere Rwanda en op de Balkan, stelde oud-secretaris generaal Kofi Annan de vraag hoe internationale vrede en veiligheid gehandhaafd kunnen blijven vanuit een focus op de mensenrechten. Dat resulteerde in het principe van Responsibility to Protect (R2P), dat aanmoedigt tot humanitaire interventies en de plicht erkent tot bescherming tegen genocide, etnische zuivering, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Daarbij geldt het Oorlogsrecht van Genève dat bescherming biedt aan burgers die niet aan de oorlog deelnemen. Het probleem hiermee is echter of interventies zomaar kunnen en mogen plaatsvinden in een soevereine staat.
 
Vaak zijn in zo’n staat al humanitaire organisaties aanwezig. Een voorbeeld is de hulpwerkorganisatie Mennonite Central Committee in Oekraïne. Bestaande lokale kernen zorgen er momenteel voor dat Oekraïners worden opgevangen. Het onderstreept de urgentie van de presentie van dit soort organisaties in de brandhaarden van de wereld. Die presentie biedt tevens een alternatief voor de militaire opkomstplicht. Een Vredesbureau zou gewetensbezwaarden specifieke trainingen kunnen aanbieden: mannen en vrouwen die zich humanitair in plaats van militair willen inzetten. Dit vereist wellicht een intensivering van de internationale doopsgezinde contacten via Doopsgezind WereldWerk, en samenwerking met andere vredesbewegingen. 

Tekst: Pieter Post
Beeld: Alexander Jawfox


Terug