>

Nieuws

 
12 augustus 2021

Levensruimte

Tekst: Machteld van Woerden
Foto:  Jack Charles 

Dit is een tijd waarin het woord ‘verlangen’ opnieuw betekenis heeft gekregen. Verlangen naar hoe het leven eruitzag voordat een onzichtbaar virus zijn verwoestende werk deed. 

Wat was alles toen simpel: als je op bezoek wilde gaan deed je dat gewoon zonder er verder over na te denken. Als je ’s avonds laat nog een ommetje wilde lopen kon dat probleemloos. Als je een feest wilde geven kon je uitnodigen wie je wilde. Handen schudden bij een ontmoeting of iemand omhelzen in je eigen vriendenkring waren heel normale omgangsvormen.

Zonder afstand
Na meer dan een jaar verstoken te zijn geweest van dit tot vorig voorjaar nog gewone intermenselijke gedrag, beginnen we ernstig te verlangen naar meer nabijheid, meer armslag en meer ruimte om te leven. Het lijkt erop dat we het meest behoefte hebben aan deze gewone menselijke omgangsvormen. Het zijn niet de verre reizen of het grote geld waar ons verlangen naar uitgaat, maar het herstel van direct contact met anderen. We zien uit naar het moment waarop we vrienden bij ons thuis kunnen uitnodigen, zonder afstand te houden of hun aantal te moeten minimaliseren. En we willen graag weer gewoon onze zorg om een ander kunnen tonen zonder al die beperkende maatregelen.

Naast verlangen is er ook hoop. In de meest duistere momenten is er altijd een sprankje hoop op verandering, op verbetering, op meer weldadige ruimte voor onszelf en onze dierbaren. Die hoop groeit voorzichtig met het ontluiken van de natuur, met het warmer worden van de dagen – wat hebben we ook daar dit jaar lang op moeten wachten! – en met de verwachte vermindering van het aantal besmettingen. Zodat wij, als het zomer wordt, weer meer ruimte zullen hebben om te leven. Meer ruimte ook om op adem te komen en langzamerhand te genezen van de achter ons liggende stressvolle tijd.

Hoe zal het zijn als er meer ruimte komt om te leven? Kunnen we in de nabije toekomst nog wel onbekommerd genieten van een mooie dag, samen met onze dierbaren? Kunnen we het verdriet van een jaar gedwongen eenzaamheid achter ons laten? En zijn we in staat om elkaar ruimte te geven om het leven weer, of opnieuw, of anders, vorm te geven? Wat kan de onbedoelde ‘oogst’ zijn van de afgelopen periode van onthouding en bescheidener moeten leven? Het zijn vragen aan onszelf die ons tegelijk een spiegel voorhouden over ons gedrag ten opzichte van jonge mensen, nog aan het begin van hun leven: kunnen we hun de ruimte geven die nodig is voor hun ontwikkeling, ook als zij een richting opgaan die we zelf niet goed meer begrijpen? Is ruimte geven niet minstens zo belangrijk als ruimte krijgen?

Wieken
Er is in het bijbelboek Deuteronomium  een mooi beeld te vinden van een adelaar die zijn jongen leert vliegen, ze in de ruimte laat zweven, maar ze ook opvangt op de eigen sterke wieken als ze dreigen te vallen. Een metafoor voor de ontferming van God. Huub Oosterhuis bewerkte de oude tekst tot een kort gedicht dat werd opgenomen in diverse liedbundels . Het gedicht luidt als volgt:

Die mij droeg op adelaarsvleugels
die mij hebt geworpen in de ruimte
en als ik krijsend viel mij ondervangen
met uw wieken en weer opgegooid
totdat ik vliegen kon
op eigen kracht.

Treffend heeft Oosterhuis weergegeven hoe de Ene zich als een adelaar bekommert om zijn kroost: allereerst om het oude volk, maar met hen ook om alle mensen in deze wereld. Om u en mij. Geworpen in de ruimte. Dat klinkt als een geboorte, of tenminste als een volgende fase in je leven, want steeds opnieuw worden we in nieuwe situaties ‘geworpen’ en zullen we daarmee moeten leren omgaan. 

De eerste schooldag is zo’n moment. Je ouders laten je, in de rol van de adelaar uit het gedicht, los in de ruimte van school bij nog onbekende leeftijdsgenootjes. Van tevoren is niet te zeggen of dat meteen al een prettige ervaring zal zijn. Oosterhuis benoemt die kant in zijn gedicht ook: ‘als ik krijsend val…’ Het voor het eerst betreden van een nieuwe ruimte kan immers ook tegenvallen, bedreigend zijn, je onzeker maken. Maar juist dan kun je ervaren dat er hulp is, dat je opgevangen of geholpen wordt op welke manier dan ook. 
Terugkijkend zijn er tal van momenten in je levensloop waarin je in een nieuwe ruimte gezet werd, met de uitdaging er iets mee te doen. Leren zwemmen, vriendschap sluiten, een studie beginnen, voor het eerst hevig verliefd worden, solliciteren naar een nieuwe baan, verhuizen naar een onbekende plek. 

Teruggeworpen
Vroeg of laat komt er een moment waarop je wordt teruggeworpen op jezelf. Dan vergt het moed en volharding om voor jezelf een levensruimte te scheppen die bij jou past en waar je, óók alleen, gelukkig kunt zijn. En mocht er maar weinig ruimte zijn om te leven, dan zou de ruimte die je in jezelf kunt vinden je kunnen helpen te groeien in wijsheid. Dat gaat met vallen en opstaan, met opgevangen worden ook, en zo leren we tenslotte in bijna alle omstandigheden op eigen wieken te vliegen. Dat is de wijsheid van het volwassen bestaan: te weten hoe je de ruimte om te leven op een voor jou zinvolle manier kunt vullen – ‘op eigen kracht’ naar het gedicht van Oosterhuis – én erop te vertrouwen dat je opgevangen wordt als er onvoldoende ‘eigen kracht’ over is.

Het verlangen naar meer levensruimte heeft opnieuw en intens betekenis gekregen. Het is een verlangen dat collectief gevoeld wordt, maar dat individueel moet worden ingevuld. Vergroting van onze levensruimte zal, net als de vergroting van de ruimte in ons binnenste, zeker weer meer levensvreugde geven. En wij zullen in de toekomst vertrouwen moeten leren, om te herstellen wat zo pijnlijk verloren leek te gaan: het besef dat de belangrijkste pijlers onder ons bestaan de persoonlijke ontmoeting en de werkelijke verbondenheid met andere mensen is.

Voor het hele nummer van Doopsgezind Plus kijk onder publicaties


Terug