>

Nieuws

 
17 augustus 2020

Ritme en Confetti

tekst: Jeannette den Ouden
foto: Keith Luke

Elke lente zien we het gebeuren: de kale, zwarte takken en twijgen van de bomen transformeren in slechts enkele dagen.

Van een grillig transparant patroon waar we de blauwe lucht doorheen kunnen zien, veranderen ze in een rommelig groen bladerdak dat ons beschermt tegen zon en regen. En ook al moet de echte zomer nog komen, we weten allemaal dat straks het groene blad vergrijst en uiteindelijk verkleurt naar geel (en rood en bruin), waarna de bladeren vallen en de takken weer haarscherp afsteken tegen de lucht. 

Elk jaar voltrekt zich, althans in ons deel van de wereld, deze wonderlijke transformatie. Soms wat vroeger, soms wat later, maar altijd in een ritme waarop wij mensen meebewegen door de tijd. Het is het ritme van de seizoenen, maar ook het ritme van dag en nacht, van ochtendschemer en zonnekracht, van eb en vloed. Het is het ritme van onze levensadem, in en uit.  

Het is zo vanzelfsprekend dat we er niet bij stilstaan hoe dit ritme is verankerd in wie we zijn, en hoe het ons verbindt met alles wat ons omringt. Sterker nog: het ritme toont ons dat we deel zijn van alles wat leeft, groeit en voortdurend transformeert, en daarmee deel van de Geest van God die dit alles in beweging brengt en steeds opnieuw vervult met wonderlijke levenskracht.

Alle grote religies in de wereld gaan over deze transformatie. De oude Egyptenaren, hindoes, boeddhisten, joden, christenen en moslims schrijven erover in hun heilige teksten. In de bijbel lezen we het vanaf de allereerste regel: alles is begonnen en begint steeds opnieuw met Gods Geest die zwevend bewegend aanwezig was én is. De Geest die spreekt: duisternis wordt licht, kolkende watermassa’s worden land en zee, chaos wordt orde. Opdat leven mogelijk is.  

Wellicht is het u ook opgevallen dat deze voortdurende transformatie ertoe leidt dat stilstand in de bijbel niet voorkomt. Mensen gaan van de ene plaats naar de andere, vrijwillig of gedwongen, op de vlucht, als balling of omdat ze geroepen worden door een stem. Mensen gaan en keren soms terug, om dan te ontdekken dat alles anders is, of anders zou moeten. Want niets blijft wat het is, ook de mensen niet. En dat is volgens de bijbel heel tof, want stilstaan is gelijk aan sterven. Niet aan het natuurlijke sterven dat hoort bij het leven en dat noodzakelijk is om nieuw leven de ruimte te geven. Dat natuurlijke sterven is - volgens sommige teksten in de bijbel - immers ook een transformatie. De bijbel ageert slechts tegen het sterven in het leven. Sterven uit angst om te leven. Of sterven als leven zonder hart en ziel. Die vormen van sterven maken het leven dood, in plaats van ruimte te maken voor het leven van onszelf of het leven van anderen. 

‘Kies dan voor het leven’, houdt God zelf ons in het boek Deuteronomium voor, ‘voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen’ (hoofdstuk 30). God stelt ons leven hier in het licht van een toekomst die verder gaat dan de onze. Onze nakomelingen… dat zijn onze kinderen, onze kleinkinderen en hun kinderen en kindskinderen. De toekomst is volgens de bijbel zoveel groter dan de jaren die ons tot onze dood gegeven zijn. Zeker, in de bijbel gaat het ook over het leven van elk mens afzonderlijk - ja zelfs over het leven van elk musje! -, maar het wordt nooit particulier. Steeds wordt ons aangezegd dat we deel zijn van een geheel en dat niemand kan overleven buiten dat geheel. Ook dat musje niet, want het bijbelse ‘geheel’ bestaat uit alle mensen, van vroeger en later, samen met alle andere levende wezens op aarde. Meer en groter nog: in het eerste hoofdstuk van Genesis lezen we dat ook de hemellichamen, de zee en de aarde, de lucht en de diepste wateren behoren tot het geheel dat we schepping noemen. En volgens de traditie behoren niet alleen de zichtbare dingen tot de schepping, maar ook de onzichtbare dingen. Iedereen en alles hoort erbij!

Waar het nu om gaat is dat elk mens pas echt leeft en toekomst heeft, als hij of zij zich in het ritme voegt van die gehele schepping. Dat is iets anders dan de schepping willen beheersen of naar je hand zetten. De oosters-orthodoxe theologe Elizabeth Theokritoff beschrijft in haar boek Living in God’s Creation dat we, als we echt christelijk willen leven, de aarde moeten bewonen op een manier waaruit aandacht blijkt voor de gehele schepping. Ik vind dat een inspirerende gedachte, hoewel haar uitspraak volgens mij evenzeer geldt voor wie zich niet christelijk noemt. Aandacht geven kunnen we allemaal, toch? Het klinkt als dichtbij en praktisch. En zo beschrijft Theotikroff het ook. 
Ze spreekt over aandacht geven aan alles, dus ook aan de kleinste dingen. Ik denk dan aan tijd nemen om te luisteren naar hoe de merel zingt in de avondschemering, maar ook aan hoe we omgaan met de restjes in de ijskast en waar we boodschappen doen. Tegelijk besef ik dat ‘aandacht voor alles’ eenvoudig klinkt, maar in de kern radicaal is. We kunnen niet soms wel en soms geen aandacht geven. Zoals het ook niet werkt als we slechts aandacht geven aan wat ons gemakkelijk afgaat en niet aan wat meer dan het gewone van ons vraagt.

Dat lijkt een zware opgave, maar we hoeven het niet ‘te hoog of te ver’ te zoeken (Deuteronomium hoofdstuk 30, vers 12). Leven in harmonie met het ritme van de schepping is misschien wel veel eenvoudiger dan hoe we nu met z’n allen door de wereld razen en graaien. Elisabeth Theotikroff wijst in dit verband op de praktijken van de asceten in de vroege kerk. Moderne mensen zijn geneigd om ascese op te vatten als zelfkastijding en afzien. Maar in essentie gaat het volgens haar niet om afzien, maar om uitzien. Uitzien naar ‘zijn’ in plaats van ‘hebben’, rust in plaats van meer en nog meer werken, naar zorgen voor je ziel in plaats van zorgen voor een eeuwig jong lichaam, naar delen met anderen in plaats van verspillen. Ascese gaat om onthechting met als doel ruimte te maken voor de dingen die ertoe doen. Het gaat dus niet om afstand doen van wat mooi, fijn en goed is, maar om steeds opnieuw te kiezen wat bijdraagt aan een goed leven voor al het geschapene, hier en nu. En daarmee aan een toekomst voor ons allen én hen die na ons komen. 

Kortom, als we minder razen en meer leven, kunnen we leren luisteren naar het ritme van de schepping, de hartenklop van de natuur. Ik zie het voor me: hoe we dan als vrolijke asceten met elkaar een dansje maken op dat ritme, terwijl vanuit de hemel een feestelijke confettiregen in alle kleuren van de regenboog over ons wordt uitgestrooid. Groen en geel en nog veel meer...
Geraadpleegd: Groene Theologie van T. van Montfoort, Skandalon, 2019 (hoofdstuk 4)

 

Lees het hele nummer van Doopsgezind Plus door hier te klikken.


Terug