>

Achtergronden

 
1 april 2022

Vrijheid? (3)

Op 7 april is er een Sessie voor de Ziel over vrijheid, aan de hand van een essay dat Joke Hermsen voor Trouw schreef. In voorbereiding op deze Sessie voor de Ziel, o.l.v. Jeannette den Ouden, plaatsen we het essay in vier delen. Vandaag deel 3.

Als je het over vrijheid wilt hebben, is het goed om je oor bij Immanuel Kant te luisteren te leggen. Voor Kant ontstaat de specifiek menselijke vrijheid dankzij het verschil tussen de ‘twee werelden die wij bewonen’. Hij bedoelde daarmee dat mensen dankzij hun talige en cognitieve vermogens naast de fysieke wereld ook nog een andere wereld bewonen. Aan de ene kant leven we in een aan tijd en causaliteit onderworpen empirische wereld, die Kant als onvrij typeert, omdat deze gebonden is aan natuurwetten en sociale regels die we niet zomaar aan onze laars kunnen lappen. We kunnen bijvoorbeeld niet vrij besluiten om te stoppen met eten als we in leven willen blijven. Aan de andere kant wonen we echter ook in een onbepaalde, nominale wereld, waarin we ons zelf als ‘doel op zich’ ervaren en vrij zijn, want niet aan empirische wetten gebonden. Deze wereld veronderstelt kortom dat we niet slechts aan natuurwetten onderworpen wezens zijn, maar dankzij onze taal en ons denken een zekere afstand, oftewel vrijheid ten opzichte van onze empirische bepaaldheid, kunnen verwerven. Deze vrijheid uit zich onder meer in zelfbewustzijn, kritische reflectie, het nemen van initiatieven die de loop der gebeurtenissen onderbreken, in verbeeldingskracht én de ervaring van een moreel geweten. 

Menselijke vrijheid ontstaat dus op grond van een verschil. ‘We zijn burgers van twee werelden’, schreef Kant. Je bent met andere woorden pas vrij en dus in staat om ethisch, kritisch of creatief te reflecteren, als je niet gereduceerd wordt tot de fysieke noodzakelijkheden of primaire behoeftebevrediging van je bestaan, noch tot de empirische feiten van je identiteit, zoals ras, klasse, leeftijd of sekse, maar als je hier met behulp van de taal, het denken en de verbeeldingskracht een zekere afstand toe kunt en mag innemen. Vrijheid ontstaat met andere woorden niet op het moment dat je het glas bier naar je mond brengt om je dorst te lessen, maar pas daarna, als je je vervolgens afvraagt of je met het drinken van nog een glas bier een zinvolle bijdrage aan de maatschappij brengt.
Filosofen na Kant hebben dit verschil nog verder doorgetrokken. Het verschil tussen de empirische wereld en de wereld van het denken en de cultuur: de fysieke, materiële wereld enerzijds met zijn behoeften, noodzakelijkheden en natuurwetten enerzijds, en de immateriële, culturele wereld anderzijds; het verschil tussen ik en ander(en), en het verschil in ons zelf. Allereerst het verschil dat bestaat in ons zelf, tussen een uiterlijk ik of ego dat we kunnen waarnemen, spiegelen en beschrijven, en een innerlijk of dieper gelegen zelf, zoals Henry Beston dat formuleerde, waarvan we de contouren noch reikwijdte kunnen aangeven. Dit innerlijk zelf ligt als het ware ingebed in onze herinneringen - het woord zegt het al - en bereidt zich dagelijks uit met alles wat we ervaren, denken en dromen, en vervolgens vergeten. ‘Ik is een ander’, zoals Rimbaud dichtte. Dit verschil is mogelijk gemaakt dankzij de ontwikkeling van onze talige, cognitieve en creatieve vermogens, die ons bewustzijn van ons zelf, van de anderen, en van de tijd gegeven hebben.  

Maar dat verschillend zijn moet wel geleerd worden, net zoals de vrijheid verworven moet worden. Je wordt er niet zozeer mee geboren; je verwerft het met de intrede in de taal, de cultuur en het denken. Als die verwerving achterwege blijft, resten ons slechts de natuurwetten en noodzakelijkheden van de primaire levensbehoeften, de driften en lust naar macht. 
Hannah Arendt heeft het geweld van totalitaire regimes onder meer getypeerd als de reductie van de menselijke pluraliteit tot een specifieke, gelijkvormige soort of  ras. De afstand die men tot de wereld en zichzelf kon innemen werd tot nul gereduceerd, en de mogelijkheid van zelf-bewustzijn, van kritische reflectie en van gewetensvol handelen, verviel. We zijn als mensen dialogische wezens, die een innerlijke dialoog kunnen voeren en onszelf tot voorwerp van ons denken kunnen maken.  
De mens is dankzij zijn vermogen om te denken, te spreken en te verbeelden niet één, maar altijd op z’n minst met z’n tweeën. Door die innerlijke dialoog groeien en veranderen we, omdat we elke keer opnieuw het antwoord op de vraag ‘Wie ben je?’ moeten geven; elke keer opnieuw het verhaal over onszelf, over ons leven, over de wereld moeten aanpassen, omdat dit verhaal met elke ervaring of gebeurtenis weer net anders wordt. Geen enkel verhaal is precies gelijk aan een ander, omdat niemand ooit precies dezelfde ervaringen, herinneringen of afkomst heeft. Dat is het principe van de menselijke pluraliteit. En deze pluraliteit is dus gestoeld op het feit dat wij dankzij onze taal en ons zelfbewustzijn al twee in één zijn, dus een pluraliteit in ons dragen - want hoe kun je anders een gesprek met jezelf voeren? 

Tekst: Joke Hermsen


Maandag 4 april verschijnt deel 4, het laatste deel. Lees deel 1 hier terug. Lees deel 2 hier terug.

Geef u via dit formulier op voor de Sessie voor de Ziel over dit essay.


Terug