>

Achtergronden

 
28 oktober 2021

Theopoėtica - 'niet-aflatende vertelbaarheid'

Binnen de internationale doopsgezinde wereld wordt weleens over ons Nederlanders gepraat. Nederland is weliswaar de bakermat van het vroege doperse denken, maar tegenwoordig maakt men zich oprecht zorgen: Loopt het niet langzamerhand de spuigaten uit met die vrijzinnigheid? Geloven die liberale Nederlanders nog wel (correct) in God? Misschien een gerechtvaardigde vraag, hoewel allicht ietwat geladen. Ongeveer dezelfde vraag moeten we regelmatig beantwoorden van onze niet gelovige vrienden, familie en collega’s, die het moeilijk te begrijpen vinden dat we überhaupt iets met religie te maken willen hebben. Wat moeten die slimme mensen met die rare oude ideeën? Geloven die nou serieus in God? 

Als vrijzinnig gelovige zit je een beetje tussen twee vuren. Aan de ene kant onze orthodoxe broeders en zusters, en aan de andere kant onze seculiere contacten. En van allebei komt die vraag: Hoe zit het nou, liberalen? Geloven jullie?

Ik weet niet wat het is
Aan elk van beiden probeer je dan uit te leggen dat religie toch een diep waardevol deel van je leven is, ook als je er met een kritische blik in staat. Maar de gesprekspartner lijkt toch vaak een helderdere positie te hebben. Een helder ja, of een helder nee. Volgens mij zijn orthodoxie en atheïsme zulke duidelijke posities, onder meer omdat ze om dezelfde heldere dichotomie draaien: Religie is ofwel waar, dat wil zeggen, feitelijk correct, ofwel onwaar. Wat niet feitelijk – historisch, natuurwetenschappelijk, antropologisch – correct is, is immers onwaar. De bijbel is dus ófwel een feitelijk correct bericht (onze orthodoxe broeders en zusters), ófwel niet waar, een verouderde mythe die hoogstens uit literaire overwegingen nog te lezen is (onze atheïstische vrienden). Als je erin gelooft, betekent dat dat je denkt (of erkent) dat het waar is. Glashelder.

De vrijzinnige houding daartegenover is – in elk geval in mijn geval – een houding vol tegenstellingen, twijfel en meerduidigheid: aan de ene kant weet ik dat het een onmogelijke voorstelling is, met God en de Schepping en dat lege graf op Paaszondag. Ik weet heus wel dat dat helemaal niet kan. En toch. En toch! Het laat me niet los – in die oude verhalen en gebruiken is er iets aan de hand, iets, ik weet niet wat het is, dat me gegrepen heeft en – ja – bevrijd, zonder dat ik ooit zou kunnen zeggen wat die bevrijding precies inhoudt.

Dichtkunst van God
Hier, midden in deze tegenspraak waaruit ook mijn eigen geloof bestaat, begint mijn fascinatie met een hedendaagse stroming binnen de theologie die zich Theopoetics noemt. Theo-poëtica, de 'dichtkunst van God', is volgens deze theologen eigenlijk een treffender term dan theo-logie, waarbij je de indruk zou kunnen krijgen dat het om iets logisch gaat. Religieuze taal ‒ theologie maar ook liederen, verhalen, gebeden en preken ‒ heeft echter meer met literatuur en poëzie te maken dan we vaak denken. Bij uitstek zijn het juist niet heldere en sluitende vertogen maar evocatieve, beeldende en raadselachtige woorden en zinnen voor een diepere waarheid die nooit definitief in woorden en zinnen gevat zal kunnen worden.

De quaker-theoloog L. Callid Keefe-Perry vat in zijn boek Way to Water de hoofdlijnen van theopoëtica samen als een acceptatie van cognitieve onzekerheid over God, een onwil deze onzekerheid (…) uit te bannen, en desalniettemin een nadruk op actie en creatieve uiting. Theopoëtica suggereert ook dat, wanneer het stof is neergedaald nadat er dingen in naam van God zijn gezegd en gedaan, de nodige bezinning en interpretatie gegrondvest moeten zijn in dialoog, en uitgevoerd moeten worden met een hermeneutiek van gastvrijheid en bescheidenheid. 

Met andere woorden: Als het om God gaat, schieten alle woorden en verhalen te kort. De belofte van God is te onstuimig en veelduidig, God zelf te onbeschrijfelijk en onuitsprekelijk, om in een sluitend metafysisch systeem te grijpen. Dat hoeft ons echter niet tot stilte te manen, maar kan ons juist aanmoedigen tot vindingrijke welsprekendheid. In het licht van deze onmogelijkheid het ooit definitief te vatten, wil theopoëtica de lezer aanmoedigen zich het Heilige met een veelheid aan verschillende vreemde, ongelofelijke, bekorende woorden en verhalen, voor te stellen. Omdat over God nooit het laatste woord gesproken is, is er altijd meer te zeggen: elke creatieve religieuze uiting spoort weer volgende aan. De onuitsprekelijkheid van de Eeuwige leidt zo tot niet-aflatende vertelbaarheid. Uit deze spanning tussen bescheidenheid en creatieve spreekvaardigheid komen telkens nieuwe interpretaties, herzieningen en nieuwe fantastische verhalen voort. Deze mogen rustig paradox zijn, sterker nog, des te beter, want het is vaak in de coincidentia oppositorum (Cusanus): het samenvallen van tegenstellingen, dat de weg naar God zich opent.

On/Mogelijk Spreken
Theopoëtica is dus door een soort dubbelheid getekend: enerzijds voorzichtig, anderzijds creatief. De theoloog Catherine Keller duidt het als het spreken van God met 'gepaste on/mogelijkheid'. In de woorden van de katholieke filosoof John Caputo gaat het bij theopoëtica om 'het inzetten van verschillende discursieve middelen om een gebeurtenis woorden te geven (…) zonder te beweren dat men het geheim kent, de code, de regel die gebeurtenissen regelt.' Met 'gebeurtenis' bedoelt Caputo hier niet zomaar een voorval, maar een doorbréken van de geregelde orde van zaken. In de naam van God is er, aldus Caputo, iets aan de hand (iets, ik weet niet wat het is) dat de gelovige grijpt en verandert. Voor Caputo komt God het dichtst bij de mensen als menselijke (religieuze, politieke, filosofische) systemen door elkaar worden geschud en in beweging raken. In de scheurtjes die dan ontstaan kunnen we het paradoxe Rijk Gods – het aanhoudende 'misschien' dat een andere wereld mogelijk is – opnieuw gewaarworden.

Rond theopoëtica verzamelen zich verschillende denkers, die telkens iets andere accenten leggen. In mijn proefschrift (zie onder) bekijk ik naast Caputo, die zich vooral door de deconstructieve filosofie van Jacques Derrida laat inspireren, en Keller, die sterk door procestheologie (Alfred North Whitehead/John Cobb) en eco- en feministische theologie beïnvloed is, ook Richard Kearney, die uit de hermeneutische hoek komt van Paul Ricoeur. Volgens Kearney gaat het bij theopoëtica ook om 'anatheïsme', het waagstuk opnieuw (Grieks: ana) te geloven, na de voelbare afwezigheid van God in een twintigste eeuw vol verschrikkingen. Er zijn echter nog meer theologen te noemen, bijvoorbeeld Amos Wilder en Rubem Alves, die de term al in de jaren zeventig ontwikkelden, en Melanie Duguid-May en Scott Holland, met wie ik een doperse achtergrond deel.

God-Maken
Bij Kearney en Keller is in theopoëtica ook de betekenislaag van 'maken' of 'vormen' (Grieks: poiesis) belangrijk. God beweegt zich in de wereld, en in dit nog onvoltooide 'worden' is ook de menselijke deelname verlangd. Het menselijke creatieve spreken en handelen van (over) God kan overgaan in een scheppend spreken van (door) God: De Eeuwige maakt een thuis voor zichzelf in de menselijke creativiteit. Door onze creatieve en religieuze praktijk, door verhalen en liturgie maar ook in geleefde gastvrijheid en solidariteit met de gehele schepping, maken we zo dat God in de wereld vorm aanneemt, en nemen we op onze beurt deel aan Gods voortdurende vormgeving en hernieuwing van de wereld. Met de verwante voorstelling van het universum als het 'lichaam van God' maakte Sallie McFague al in de jaren tachtig furore.

Theopoëtica is niet alleen een filosofische of existentiële houding, maar ook een religieuze praktijk: Religieuze teksten zó te lezen, of rituelen zó vorm te geven, dat het onzekere, marginale, ontembaar veelduidige erin tot uiting kan komen en als uitnodiging gestalte kan aannemen. Het gaat er bij religie immers niet om dat wij het begrijpen, maar dat 'het' ons grijpt (Filippenzen 3:12). We doen recht aan de rijkdom van Gods Woord en Gods Schepping door elke verzoeking van eenduidige interpretatie te weerstaan, en een nooit voltooibare veelheid van interpretaties te omarmen. Theopoëtica moedigt aan tot een vrije, creatieve omgang met religieuze tradities; ze propageert tegelijk een praktijk die verantwoordelijkheid, ethiek en ecologie serieus neemt. Ze biedt een vrijzinnige toegang tot religieuze traditie zonder in een steriel rationalisme te vervallen; ze moedigt aan tot verbeelding, om zo God in de wereld telkens nieuwe gestalte te geven.

Een welkome uitdaging
Theopoëtica heeft dus enerzijds met liberaal of vrijzinnig christendom, zoals ik het uit Nederland ken, veel gemeen – beiden zijn een zoektocht naar een kritische manier van geloven die in gesprek blijft met seculier gedachtegoed en zich van bekrompen kwezelarij ver wil houden. Maar volgens mij kan ze ons Nederlandse vrijzinnigen ook uitdagen: enerzijds om bescheidener te worden voor wat betreft onze eigen neiging tot eenduidige, rationalistische, wetenschappelijke verklaringen – hoeveel vrijzinnigen zijn er immers niet stellig van overtuigd het allemaal net ietsjes beter te hebben begrepen dan de orthodoxe broeders en zusters? Maar anderzijds kan theopoëtica ons vrijzinnigen ook uitdagen om moediger te worden: moediger het te wágen met die ongelofelijke verhalen en tradities die bij religie horen. Hoeveel vrijzinnigen zijn immers niet ook een beetje verlegen als ze worden uitgenodigd over hun eigen geloof te vertellen?

Marius van Hoogstraten promoveerde in 2019 op Theopoëtica als bron voor interreligieuze ontmoeting. Hij werkt als voorganger in de doopsgezinde gemeente in Hamburg (Duitsland) en als postdoctoraal onderzoeker Vrijzinnige en Inventieve Theologie aan het Doopsgezind Seminarium in Amsterdam (www.vrijzinnigetheologie.com).

Dit artikel verscheen eerder op de website Liberaal Christendom.


Terug
 
  Meer informatie   Facebook   Twitter   Instagram   ANBI-register
 
  contact maandblad privacy
  routebeschrijving nieuwsbrief disclaimer
  veelgestelde vragen inloggen  colofon
     
   
  © 2021 Doopsgezind.nl