> dachtergronden.php?nr=50905&stuurdoor

Achtergrond

 
2 november 2020

Mijn goede vriend, en Jozef en ik

Fotografie:CCO

Een goede vriend, een van mijn beste, komt zondag met zijn twee kleine zoontjes pannenkoeken voor ons bakken. Daarna eten we ze samen op.

Deze goede vriend die ik al lang ken en heel goed, met wie ik al jaren lief en leed deel, tegen wie ik zo ongeveer alles kan zeggen en die dat zelf ook doet, en dat alles met liefde en vriendschap, komt dus zondag eten. Met zijn kinderen. Hij appte vandaag, vrijdag. Zal ik pannenkoeken komen bakken? Hebben jullie geschikte pannen, beslagkommen, staafmixer, poedersuiker en stroop en kaas? 

Ik ben ontroerd. Ik ben dol op hem. Hij is lief en gevoelig, een drammerige betweter soms. (Ik ben dat overigens ook weleens, en een kattenkop - een vriendschappelijke ruzie maken we dus zo nu en dan best graag). Hij is gepassioneerd en open, rijdt midden in de nacht naar je toe als dat nodig is. Hij is de trouwste vriend die je kan bedenken. En altijd als we elkaar ontmoeten omhelzen we elkaar. Het past ontzettend goed, zeggen we dan. Maar dat laatste doen we al een tijdje niet meer. Ik hoef niet uit te leggen waarom.

Ook niet waarom mijn moeder zo verdrietig kijkt als ik haar huis binnenkom. Met haar armen langs haar lichaam. ‘Hi mam. Hoi schat…’, zeggen we dan. Onthand, ontarmd.
En ook niet waarom ik niets heerlijker vind dan wanneer onze volwassen, en-niet-meer-officieel-maar-zo-voelt-het-toch-wel-pleegzoon stoeit en knuffelt met onze (andere) zonen, tijdens zijn wekelijks bezoek. Zodat ik mij onze onmogelijk ongemakkelijke begroeting bij de deur weer kan vergeven.

Ik las en sprak met een (Zoom!-)bijbelkring over Jozef; Jozef die in Egypte zijn broers ontvangt en hun niet laat zien wie hij is. Hij moet zelfs even weglopen om te voorkomen dat hij zich kenbaar maakt en ze om de hals valt. Het was me nooit opgevallen hoe intens Jozef zijn broers en later ook zijn vader om de hals valt en huilt. Langdurig huilt.

Ik heb een gezin met wie ik in huis woon en kan dus omhelzen naar behoefte. Mijn moeder niet, en veel anderen ook niet. Ook ik mis het mijn vrienden, broeders en zusters, mijn moeder, mijn toch-heus-nog-wel-pleegzoon aan te raken.
 
Een heel goede vriend van me komt zondag eten. Ik zal hem niet om de hals vallen. Maar wel aardige dingen zeggen, of met hem zingen, en zijn pannenkoeken de hemel in prijzen. En geluksvogel dat ik ben: ik kan zien hoe onze kinderen bij elkaar op schoot kunnen zitten, tegen elkaar aan, en wie weet wel elkaar om de hals vallen bij het afscheid.
 
Ik houd vol. Zolang als Jozef en Jacob zal ik echt niet hoeven wachten.

Essemie van Dunné is voorganger in Amsterdam-Noord. Zij verzorgt daar ook het kinder- en jongerenwerk.


Terug