> dachtergronden.php?nr=45753&stuurdoor

Achtergrond

 
13 januari 2020

Licht in de breuklijn

Tekst Wieteke van der Molen – foto Ramon Philippo

‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken.’ Zie. Dat is misschien wel meest breekbare stukje van de bijbel, het teerst, het zachtst. Want daar begint het. 

Wij lezen de bijbel eigenlijk nooit vanaf het begin. We lezen de bijbel eigenlijk altijd alsof we stiekem de achterflap al hebben gelezen en weten hoe het plot zich ontwikkelt. We hebben al een beeld van god of God en van hoe alles bedoeld is. Van hoe het zal eindigen, ooit. Van de gebrokenheid van de schepping, de zondeval en, oh god, wat al niet meer. Jezus als redder van de mensheid, gestorven voor onze zonden en dat soort dingen. Of we het er nu mee eens zijn of niet, of we het geloven of niet, we hebben die voorkennis. We lezen de bijbel nooit vanaf het begin. En dat is jammer. Want daar begint het. Het echte verhaal. Een verhaal van kwetsbaarheid, gebrokenheid, zoeken, bekommering. Een breekbaar verhaal. En onstuitbaar krachtig. 

‘En god zag dat het goed was.’ Als je dat voor het eerst leest en probeert je in te leven in de hoofdpersoon, dan lees je geen triomfantelijke bevestiging van wéér een unieke scheppingsdaad. Dan lees je over een god die iets voor de allereerste keer probeert. Misschien had ‘ie een idee van hoe het uit zou pakken, maar misschien ook niet en ontvouwde de schepping zich onder zijn handen. Dat vertelt het verhaal niet. Maar het verhaal vertelt wel dat god, al doende, zag dat het goed was. Als een kind dat voor het eerst iets doet en bevestiging zoekt. Ja. Zo is het af, zo is het bedoeld, niets meer aan doen. ‘Klaar!’

Zo is het goed
En dan pas gaat hij verder. De volgende dag. Een god die stapje voor stapje leert, bijleert, probeert, bouwt, beproeft, benoemt. Een god die niet almachtig is, maar nog pril en onzeker. Die zijn kunnen test, zijn kracht beproeft. Een god die kwetsbaar is, onzeker, breekbaar. Een god die bevestiging zoekt. ‘En god zag dat het goed was.’  Dat ene zinnetje breekt dan ineens de tekst wijd open. Breekbaar. Pasgeboren. 

En dan, struikelend van enthousiasme haast, klinkt het: ‘Laten we mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken.’ En dat is precies wat er gebeurt. God maakt mensen, naar zijn beeld, zijn gelijkenis. En dan doet hij als het ware een stapje naar achteren, bekijkt zijn zelfportret en knikt: ‘Ja. Lijkt precies. Niets meer aan doen.’ Of, zoals de bijbel zegt: ‘En god zag dat alles wat hij gemaakt had zeer goed was.’ De onzekere, lerende, uitproberende god van Genesis 1 herkent zich in de mens zoals hij die geschapen heeft. Onzeker, kwetsbaar, beproevend, lerend, breekbaar. En zo is het goed. 

Menselijke trekken
Geleerden en theologen spreken altijd over de ‘antropomorfe’ trekken van onze god. Daarmee bedoelen ze al die dingen aan god die zo ontzettend menselijk lijken, menselijke trekken. En echt verlichte theologen halen daar een beetje hun neus voor op, want dat is toch een soort tekortschieten: om voor het beschrijven van het goddelijke terug te vallen op het menselijke. Maar volgens Genesis 1 is het precies andersom: al die kwetsbare, fragiele, ergerlijke, onfatsoenlijke, gênante,  vreugdevolle, lollige eigenschappen van de mens, van jou, van mij, zijn eigenlijk goddelijke eigenschappen. Evenbeeld. Gelijkenis. 

We zijn gewend om andersom te denken, om de bijbel te lezen alsof het over mensen met God gaat. En toch is dit óók of misschien juist wel het verhaal dat de bijbel vertelt: het verhaal van god met de mensen. Een god die stap voor stap met zijn meest gelijkende schepsel op leert trekken, om leert gaan. Een god die leert wat het met zich meebrengt om god te zijn. Een god die zichzelf leert kennen in de spiegel die mens heet. Een god die probeert, faalt, een god die rechtgezet wordt, herstelt, opstaat, valt, nog een keer, nu eens linksom, dan eens rechtsom. Een god die briest van frustratie, die zich laat overhalen om zijn reputatie te beschermen, die zich als een jaloerse minnaar gedraagt, een god wiens hart breekt. Een god die keer op keer opnieuw begint. Veerkrachtig. Levend. 

Herkenning
En het is precies in de mens als evenbeeld en gelijkenis dat god zich - en de schepping - op zijn breekbaarst toont. Want, zoals het verhaal wil, herkent deze god zich vooral in wat gebroken is. In Abel, ‘zuchtje’, maar ook in Kaïn. In Saraï, lachend in de tent. In Abraham en Izaäk, terwijl ze samen de berg opklauteren. In Jefta, als zijn dochter hem tegemoet komt huppelen. In David, als hij Bathseba in het oog krijgt. In Rispa, zittend op haar deken terwijl ze de vogels weghoudt van de botten van haar zonen. In de eenzame afwijzing van Leah, de wanhopige onvruchtbaarheid van Rachel. In iedere wees, iedere weduwe, iedere rechteloze, melaatse, zondaar. Want hij weet hoe het is. Hoe het voelt. Evenbeeld. Gelijkenis. 

In alle breekbaarheid herkent god iets van zichzelf. In alle falen, onzekerheid, in alle proberen, in alle streven, alle gebroken levens. In alle kleinheid. Alle misbruik, alle geweld. Al die teksten die ons de wenkbrauwen doen fronsen. Juist daar. Want in deze verhalen leert god wie hij is en wat dat betekent. Juist aan de mensen. Empathie. Meeleven. Hij kan vergeven, omdat hij zich kan voorstellen hoe het is om dader te zijn. Hij kan redden, omdat hij weet, voelt, hoe het is om verloren te zijn. 
Tot het einde van het verhaal van de mens die sterft aan het kruis, in godverlatenheid: ‘Eli, eli, lema shabachtani’. Goddelijker wordt het niet, want goddelozer wordt het niet. Een god, die zichzelf ziet in een gebroken mens. Evenbeeld. Gelijkenis. God met mensen. Dát verhaal. En dan doorgaan. Juist in die gebrokenheid wordt god wie hij werkelijk is. Het licht dat naar binnen kruipt door de scheuren in de schepping.  Breekbaar. 

En zo, omgekeerd, ook wij. Als gebrokenheid ons beroert tot in het diepst van ons wezen, als het ons verandert, zijn wij evenbeeld, gelijkenis. Licht in de breuklijn. Goddelijk. 


Verscheen eerder in Doopsgezind NL 09/10. Voor het hele blad klik hier  


Terug